Ministerie van VROM
Geschiedenis VROM
Het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) ontstond in 1982. Toen werd het beleidsterrein milieubeheer toegevoegd aan volkshuisvesting en ruimtelijke ordening. Het beheer van de rijksgebouwen is van oudsher een taak van het ministerie, het kadaster is van 1973 tot 1994 onderdeel van het ministerie geweest. De geschiedenis van het ministerie gaat natuurlijk veel verder terug.
Alles wat met wonen, ruimte en milieu te maken heeft, is tegenwoordig sterk gereguleerd. Dat was in het begin van de negentiende eeuw wel anders. Toen woonden er in Nederland maar twee miljoen mensen. Het land was vooral leeg, woest en voor grote delen onbewoonbaar. Dat de nationale overheid zich zou bemoeien met zoiets als wonen, ruimte of milieu was ongehoord.
Maar de bevolking groeide en er kwam industrie. En daarmee een nieuwe bevolkingsgroep, industriearbeiders. In de buurt van fabrieken woonden de arbeiders onder vaak erbarmelijke omstandigheden. De huizen waren klein en er waren nauwelijks sanitaire voorzieningen. Maar verbetering brengen in schrijnende toestanden werd geen taak van de overheid gevonden. Tot 1901. Toen kwamen er twee wetten om de ergste misstanden uit te bannen.
Woningwet
Met de Gezondheidswet en de Woningwet legde het kabinet-Pierson in 1901 de basis voor verbetering van de volksgezondheid en de volkshuisvesting. Het doel van de Woningwet was: bewoning van slechte woningen onmogelijk maken en de bouw van goede woningen bevorderen. Dit gebeurde onder andere door woningcorporaties geld voor te schieten voor de bouw van zogenaamde woningwetwoningen. Dus regels stellen en gemeenschapsgeld daarvoor uitgeven. Dat is eigenlijk het begin van overheidsbemoeienis met de woningbouw.
In de Woningwet was ook al iets te zien van ruimtelijke ordening. Er stonden regels in voor de stedenbouwkundige ontwikkeling. Gemeenten moesten uitbreidings- en bestemmingsplannen opstellen en die om de tien jaar herzien. En het ging verder. In 1921 en 1931 werd de Woningwet aangepast. Het begrip streekplan ontstond en daarna het idee van een nationaal stedenbouwkundig plan. Een staatscommissie boog zich over een ontwerp voor een nieuwe woningwet met die strekking. De commissie kwam met haar eindverslag op 10 mei 1940, de dag dat voor ons de Tweede Wereldoorlog uitbrak.
Duitse inval
Na de Duitse inval moest veel hersteld of opnieuw gebouwd worden. Daarvoor werd een Wederopbouwdienst ingesteld. In 1941 volgde een Rijksdienst voor het Nationale Plan, een beetje als opvolger van bovengenoemde staatscommissie. Deze Rijksdienst moest de ruimtelijke ordening van de nationale belangen regelen, toezicht houden op de streek- en gemeentelijke belangen en daarvoor alles onderzoeken wat voor de ordening zou kunnen dienen. Dit onderzoek heeft zoveel tijd gevergd dat van een nationale planning niet veel terechtkwam.
De oorlog eindigde zoals hij begon. Met veel vernieling. En met vernieuwing die uiteindelijk heeft geleid tot het ministerie van VROM. Beginnend op 23 juni 1945 met het ministerie van Openbare Werken. In dit nieuwe ministerie waren taken gebundeld die voorheen bij andere ministeries lagen. Gezien het werk werd het ministerie al snel omgedoopt tot ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw. In 1947 werd de naam opnieuw veranderd in ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting.
Wederopbouw
Zo vlak na de oorlog heerste er een enorme woningnood en Nederland was straatarm. Om iets van de grond te krijgen van wederopbouw en volkshuisvesting was er een planmatige en centrale aanpak nodig. De regering zette alles op alles om de woningnood, volksvijand nummer één, te verslaan. Met enorme inspanning lukte dat steeds beter. Het ministerie kreeg daarom in 1956 weer een andere naam: ministerie van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid. Met recht nijver, want in 1962 werd de éénmiljoenste naoorlogse woning afgeleverd. Gezien de toenemende woningbehoefte was dit aantal echter bij lange na niet genoeg.
De wederopbouw - de woningbouw in het bijzonder - slurpte zoveel energie op dat er nauwelijks oog was voor nationale ruimtelijke ordening. Dit veranderde pas in 1960. Toen verscheen de eerste nota Ruimtelijke Ordening. Vijf jaar later werd de Rijksdienst voor het Nationale Plan van 1941 omgedoopt in de Rijksplanologische Dienst. Toen ook werd de naam van het ministerie gewijzigd in Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO). En dat bleef zo tot 1982.
Rond 1970 dienden zich nieuwe thema's aan, zoals stadsvernieuwing en groeikernen. Er is in de jaren zeventig en tachtig veel kracht uitgegaan van deze beleidsthema's. Niet in de laatste plaats door de gedecentraliseerde werkwijze: gemeenten en provincies hadden een belangrijke rol in beleid en uitvoering. De stadsvernieuwing heeft onder andere geresulteerd in het behoud van levendige historische binnensteden.
Milieu komt erbij
Met de komst van het Directoraat-Generaal Milieuhygiëne in 1982 werd het werkterrein van het ministerie vergroot. Een nieuwe naam volgde: ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM). De prille milieutak ontgroeide snel de kinderschoenen. Er kwam milieubeleid met nadruk op handhaving, individuele verantwoordelijkheid, langetermijnperspectief en haalbare doelstellingen. En in het besef dat milieuproblemen niet bij een grens beginnen of ophouden. Het leidde in 1989 tot het eerste Nationaal Milieubeleidsplan (NMP), een interdepartementaal antwoord op de milieuproblemen van Nederland.
Het groeiproces van het ministerie levert geen vlekkeloze successtory op. Zo toonde de Parlementaire Enquête Bouwsubsidies van 1987-1988 aan dat er grote tekortkomingen waren in de financiële administratie van het ministerie. Vooral de controle op de uitvoering en toepassing van subsidieregelingen op huisvestingsgebied was ernstig tekort geschoten. Sindsdien heeft bedrijfsvoering een hoge prioriteit bij VROM. Het heeft vorm gekregen in integraal management.
Sinds VROM in 1992 is gehuisvest in het nieuwe hoofdkantoor naast het Centraal Station in Den Haag, is er hard aan gewerkt om samenhang aan te brengen in de samenstellende delen. Een goed voorbeeld van de daadwerkelijke integratie van de beleidsterreinen is de omvorming van de inspecties van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieu in 2002 naar één VROM-Inspectie.
21e eeuw
VROM is de 21e eeuw ingegaan met nieuwe visies, beschreven in de 'Nota Ruimte. Ruimte voor ontwikkeling', de nota 'Mensen wensen wonen. Wonen in de 21e eeuw' en 'Een wereld en een wil. Vierde Nationaal Milieubeleidsplan'. In de uitwerking van deze nota's door middel van gebiedsgerichte programma's en convenanten met regio's maakt VROM duidelijk dat de beleidsterreinen wonen, ruimte en milieu niet los van elkaar staan.
Meer geschiedenis?
Wilt u meer weten over de geschiedenis van het ministerie en zijn beleidsterreinen? Er is een aantal boeken over geschreven. Daarvan vindt u hier een paar titels.
- Een geschiedenis van de zorg voor de kwaliteit van de leefomgeving. Het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (1965-1995)
H.T. Siraa, A.J. van der Valk en W.L. Wissink,
(Den Haag 1995).
- Eén miljoen nieuwe woningen. De rol van de rijksoverheid bij wederopbouw, volkshuisvesting, bouwnijverheid en ruimtelijke ordening (1940-1963)
H.T. Siraa,
('s-Gravenhage 1989).
- De rijksbouwmeesters. Twee eeuwen architectuur van de Rijksgebouwendienst en zijn voorlopers
Corjan van der Peet en Guido Steenmeijer e.d.,
(Rotterdam 1995).
- Volkshuisvesting in goud. Verandering en continuïteit in beleid en organisatie van het Directoraat-Generaal van de Volkshuisvesting (jubileumboek `Vijftig jaar DGVH')
Schaar, J. van der (red.), A.W. Faber, J.J. Koffijberg en H. Priemus
(Den Haag, 1996)

